Logo

Executieve functies

Executieve functies

Executieve functies zijn aangeboren hersenprocessen. Zij sturen gedrag en het leren aan. Ze zijn vooral nodig bij het aanleren van nieuwe dingen.
De executieve functies zitten aan de voorkant van de hersenen. De hersenen ontwikkelen zich van achter naar voren en van binnen naar buiten en het voorste gedeelte is dus pas op latere leeftijd (21) volgroeid. Het brein van een leerling op de middelbare school is dus nog volledig in ontwikkeling en dat betekent dat leerlingen de executieve functies nog niet allemaal beheersen.

De executieve functies dragen wél bij aan schoolsucces en autonomie van leerlingen. Ze vormen een basis voor goed gedrag en het leren op school. Door deze functies begrijpen leerlingen hoe zij moeten leren. Daarom is het dus heel belangrijk dat leerlingen de executieve functies onder de knie krijgen.
Onder deze functies vallen de vaardigheden: plannen, organisatie, timemanagement, werkgeheugen, metacognitie, reactie-inhibitie, emotieregulatie, volgehouden aandacht, taakinitiatie, flexibiliteit en doelgericht doorzettingsvermogen.

Leerlingen kunnen verschillende functies wel al beheersen, andere moeten zij nog goed ontwikkelen. Belangrijk is dat dit voor iedere leerling verschillend is en dat iedere leerling zich ook anders ontwikkelt. Als een leerling problemen ervaart met het leren, kan dit verschillende oorzaken hebben. Kijkend naar de executieve functies kunnen per functie bepaalde interventies gedaan worden om de problemen te verminderen en de resultaten te verbeteren.

Maar wat zijn nou precies de executieve functies? Wij maken onderscheid tussen denkvaardigheden en gedragsregulerende vaardigheden.

Denkvaardigheden

Plannen

Een planning kunnen maken betekent dat een leerling overzicht heeft en structuur aanbrengt in zijn werkzaamheden. Een leerling weet wat hij wil doen en hoe hij dat gaat doen.
Heeft een leerling moeite met het opstarten van een taak of rondt de leerling de taak vaak te laat af? Heeft een leerling moeite met een tijdsplanning maken of een huiswerkschema en kan hij niet goed inschatten hoeveel tijd iets kost? Of is het lastig om in te schatten wat prioriteit heeft? Dan heeft een leerling duidelijk moeite met het maken van een planning en zou hij hulp kunnen gebruiken.

Organisatie

Zijn schoolspullen niet op orde, noteert de leerling het huiswerk of toetsen niet en is de leerling vaak iets kwijt? Is de werkomgeving een rommeltje en is het schoolmateriaal niet georganiseerd en verzorgd (bv losse blaadjes)? Ruimt de leerling niet alles op en kan hij niet alles vinden en zijn werk niet goed organiseren? Met gerichte interventies kunnen we het organiseren (of: dit) verbeteren. Dan is er winst te behalen op deze executieve functie.

Timemanagement

Timemanagement gaat over tijd en het inschatten van hoeveel tijd je voor iets hebt. Kan een leerling niet zo goed inschatten hoeveel tijd hij nodig heeft voor een opdracht of taak (huiswerk of toets) en komt de leerling vaak in tijdnood? Is het moeilijk om op tijd te komen en om op tijd aan een taak te beginnen? Levert de leerling vaak werkstukken te laat in, verspilt hij veel tijd of houdt hij zich niet aan zijn tijdsplanning?

Werkgeheugen

Het werkgeheugen is een tijdelijke opslagplaats van taakrelevante informatie in de hersenen. Het speelt een actieve rol bij denkprocessen, zoals bij de activatie van oude herinneringen, maar ook bij het van recente gebeurtenissen. Het maakt een selectie van belangrijke informatie en zorgt ervoor dat informatie uit het langetermijngeheugen op tijd beschikbaar is. Dit noemen we voorkennis ophalen. Het werkgeheugen stuurt informatiestromen aan.

Kan de leerling afspraken, opdrachten en instructies onthouden? Of heeft de leerling daar problemen mee? Weet de leerling welke materialen voor welk vak nodig zijn en kan hij hoofd- en bijzaken onderscheiden? Is de leerling in staat om aantekeningen te maken terwijl hij luistert of leest, vergeet de leerling wel eens wat of onthoudt hij altijd de taken die hij moet doen? Kan de leerling goed uit zijn hoofd leren? Valt een leerling uit op deze onderdelen, dan zijn er genoeg interventies om de leerling te helpen.

Metacognitie

Metacognitie is het denken over denken. Wat doe ik en waarom? Deze functie gebruik je om je eigen werk te monitoren. Je vraagt jezelf tijdens het werk af of je op de goede weg bent en aan het eind of het is gelukt. Begrijpt een leerling de lesstof niet, vraagt de leerling geen hulp of herkent de leerling problemen niet en kan hij niet oplossingsgericht te werk gaan? Kan de leerling zijn eigen werk niet evalueren en slecht reflecteren op zichzelf en zijn gemaakte werk? Heeft de leerling ook moeite met de juiste leerstrategieën? De leerling moet dan leren leren en verschillende leerstrategieën aanleren en toe kunnen passen.

Gedragsregulerende vaardigheden

Reactie-inhibitie

Reactie-inhibitie is de vaardigheid om eerst na te denken vóórdat je iets doet. Leerlingen hebben dan hun impulsen onder controle. Heeft een leerling moeite impulsen te onderdrukken en geeft hij te snel een reactie zonder eerst goed na te denken? Kan een leerling niet op zijn beurt wachten en raakt hij vaak afgeleid door onbelangrijke zaken? Leerlingen kunnen met wat hulp leren om hun impulsreacties beter te controleren.

Emotieregulatie

Emotieregulatie is de vaardigheid om adequaat op verschillende situaties te reageren. Leerlingen met een zwakke emotieregulatie reageren vaak heftiger op situaties dan leerlingen met een sterke emotieregulatie.
Extreme emoties schakelen zelfsturing en redeneren uit. Leerlingen reageren dan vanuit het reptielenbrein (dat onze primaire levensbehoeften, zoals ademhaling, eetlust, veiligheid, overleven maar ook vecht- en vluchtreacties controleert) en het limbische systeem (dat betrokken is bij de emotieregulering, het emotioneel geheugen en motivatie) en denken dus niet meer na over hun reacties. Reageert een leerling dus onnodig heftig op een bepaalde situatie, dan helpen bepaalde interventies om de emotieregulatie te controleren.

Volgehouden aandacht

Volgehouden aandacht betekent dat een leerling zijn aandacht op een taak kan richten en dit ook kan volhouden. De leerling sluit dan ook alle prikkels buiten, behalve één. Heeft een leerling moeite met het buitensluiten van de verschillende prikkels en heeft de leerling weinig concentratie voor een taak? Neemt de leerling meer pauzes dan nodig is en zijn taken niet binnen de tijd af? Bij mindere motivatie om taken af te ronden zijn er genoeg mogelijkheden om de leerling te helpen om de focus wél te vinden.

Taakinitiatie

Taakinitiatie gaat over het op tijd beginnen aan het werk. Stelt een leerling steeds zijn werk uit of begint hij niet eens aan zijn werk? Heeft de leerling moeite met langetermijnopdrachten? Dan weet de leerling waarschijnlijk gewoon niet hoe hij aan het werk moet en heeft daarbij hulp nodig. Gelukkig zijn ook hier handvatten voor waarmee een leerling deze executieve functie kan verbeteren.

Flexibiliteit

Flexibiliteit gaat erover of gedrag makkelijk aangepast kan worden aan veranderende omstandigheden en of een leerling om kan gaan met tegenslag. Heeft een leerling moeite met veranderingen en raakt hij snel van slag van een onverwachte verandering of nieuwe situatie? Kan de leerling niet zo goed oplossingsgericht denken en handelen en heeft hij het lastig als hij een open opdracht krijgt? Is de leerling niet in staat om een planning te herzien en een tijdsindeling aan te passen? Dan heeft de leerling wat hulp nodig bij het aanleren van deze executieve functie.

Doelgericht doorzettingsvermogen

Doorzettingsvermogen is het vermogen vol te houden totdat een taak af is. Heeft de leerling alleen maar oog en geduld voor leuke dingen en worden saaie en minder leuke taken minder goed gedaan en niet afgerond? Negeert de leerling deadlines? Dan valt er nog winst te behalen door doelgericht doorzettingsvermogen te verbeteren.

HaSa 3 jaar!
Aanbieding